Op 19 april meldt de Volkskrant onder de kop ‘ Kunstsubsidies leveren geen topkunstenaars op’, dat meer subsidies geen effect hebben gehad op de kwaliteit van praktizerende beeldende kunstenaars. Vanaf 1960 gaat het bergafwaarts ondanks stijgende investeringen. Het aangehaalde rapport van Gaaf en Bos hierover en het commentaar van kunsteconoom Klink gaan beide voorbij aan 1 van de hoofdoorzaken van het sukkelende beeldende kunstklimaat, de verschraling van de kunstopleiding. De namen die genoemd worden als laatste ‘grote’ kunstenaars voor ons land, Wolkers, Lucebert en Appel (er zijn er echt meer) horen tot de groep kunstenaars die allemaal nog echt het vak geleerd hebben, voordat in de jaren 60 van de vorige eeuw de idee postvatte dat ‘ iedereen kunstenaar is’ en vakkennis afleidde van de kern, de creativiteit. Gevolgd door de opmars van het woord en het concept hebben we nu een beeldende kunst die moet kunnen bestaan zonder voedingsbodem. Academiestudenten worden gepushed tot het ontwikkelen van ideeen en het beheersen van de taal nodig om subsidieformulieren in te vullen. Ontwikkelimg door studie wordt beschouwd als niet noodzakelijk. De breedte van het vak is kwijt, de navelstreng met de bron doorgesneden.
Nederland heeft een grote groep z.g. molkunstenaar,s die niet meetellen voor dit soort onderzoek. Mensen die het allang opgegeven hebben in de waan van het woord te proberen mee te draaien met het ‘moderne’ kunstbeleid. Die het desondanks niet opgegeven hebben om op hun eigen wijze door te gaan en proberen kennis en kunde buiten het officiele circuit door te geven. Daarnaast wordt de kwaliteit van het kunstaanbod verpest door een overstelpend aanbod van amateurkunstenaars, geheel in de geest van ‘ iedereen is kunstenaar’.Op zich zou dat geen kwaad kunnen als er gelijktijdig nog scholing in kijken en zien zou bestaan.
Het woord zegt het, beeldende kunst. Voor het eerst in het zo lange bestaan van de beeldende kunst is het beeld ondergeschikt aan het woord. Symptomatisch is de vele uitleg die er nu standaard bij hoort. Als het vak terug mag komen, zoals dat voor de andere kunsten opgaat en altijd opgegaan is, ontstaat vanzelf weer de ruimte en de energie voor het ontwikkelen van talent. Leren en kopieren is de voedingsbodem geweest voor alle grote kunstenaars, door al die eeuwen heen. De mest voor nieuwe groei.